Na een week fietsen ben ik gelukkig weer gezond teruggekeerd in Nijkerk. Dank aan God. Dank aan Hanneke. Dank aan mijn Nijkerkse fietsvrienden Martin en Johan. Dank aan Herman en Roelof die deze tocht zo geweldig geregeld hebben.
Maar nu het stof gaat liggen de brandende vraag: hoe was het?
Het was een week om in te lijsten. En voor dat lijstje ga ik even mijn best doen in dit verslag. De fietsers zullen het begrijpen: dit had ik nooit willen missen. Anderen zullen zich zorgelijk achter het oor krabben. Waarheen leidt al deze sportverdwazing? Ik vermoed dat de 1e groep (fietsers) zich volgend jaar ook inschrijft voor de PTdF, de 2e groep zal wellicht dit jaar nog een racefiets aanschaffen. Houd je vast:
Voorbereiding
In de winter zijn we (Martin, Johan en Joost) al begonnen met trainen. Omdat we buiten niet kunnen fietsen, trainen we in de sportschool. Zo hebben we vele uurtjes op de spinning-fiets gezeten en zelfs meegedaan aan een spinning-marathon. Daarnaast probeer ik om kwetsbare plekken (nek, schouders en rug) wat te trainen, zodat de Petit Tour de France niet daarop zal stranden. Onze conditie wordt elke maand gemeten en daar zat gelukkig progressie in. Vanaf eind februari zitten we veel zaterdagen op de fiets. Vanaf 7.00u rijden we tochten tussen de 160 en 200 km. Voor mij werkt dat prettig: omdat je weet dat de PTdF eraan komt, moet je wel vroeg je bed uit. Anders ga ik toch te veel vragen stellen bij zo’n vroege start op zaterdag ;-)
Eten
Voor de tocht hebben we ook een voedingsschema opgesteld (ongeveer): omdat je 12.000 kilocalorieën per dag verbruikt, moet je die ergens op de dag ook aanvullen. Duursport betekent dat je voortdurend blijft eten op de fiets. Omdat een pan macaroni een beetje lastig meenemen is, hebben we kleine pakjes met koolhydratengel bij ons om op de fiets te eten. Verder kunnen we bij een stop bananen en mueslirepen inslaan voor de nodige energie. En ’s avonds bij aankomst nemen we weer een speciaal drankje, een herstelshake met veel eiwitten en koolhydraten. Dat is de overbrugging naar het diner, elke dag een echte fietsmaaltijd met veel pasta. Ik kan voorlopig geen witte macaroni meer zien…
Starten
Het weer ziet er maandag goed uit. We kijken elkaar voor het eerst in de ogen door onze fietsbrillen heen: 48 fietser, drie vrouwen, 45 mannen. 2 Belgen, 1 Noorse. We rijden om 7.00u. weg uit Valkenburg aan de Geul. Iedereen is licht gespannen, er liggen nog zoveel kilometers voor ons. Na een kilometer of 20 beginnen zich kleine groepjes te vormen rond één tempo. Wij (de Nijkerkers) blijven bij elkaar en een aantal renners sluit zich bij ons aan. Johan heeft een Garmin, een soort Tom Tom voor fietsers, waar de route op staat. Super, bij elke kruising houdt die ons op het rechte pad. De zon gaat schijnen en het wordt zelfs een warme dag. Prachtig door de Ardennen (st. Vith) naar de Eiffel gereden. De eerste serieuze klimmen van een kilometer of vijf dienen zich aan. Via de Ardennen rijden we Duitsland binnen. Veel, veel wind op de hoogvlakten (die windmolens staan dus daarom op die plek..), het Nijkerktreintje rijdt daar kop-over-kop doorheen. Ik heb wel pech met een cranck, ik voel bij het klimmen opeens een lichte speling. Dat laat ik vastzetten bij een aardige garage in St. Vith. Door een verschrikkelijke hoosbui ploegen we naar de fininsh in Eisenborn. Rond de 190 km gereden, als je dan in de regen aankomt is een warme douche je beste vriend.
Middenetappes
Opstaan rond 6.00u. Spullen pakken, fietskleren aan en bidons vullen. Tassen in de bus en ontbijten. Ziedaar: het ijzeren ritme waarmee de dag begint. In de tweede dag zit een stuk herstel. Lekker door het gebied van de Moesel rijden. Veel korte klimmen en dalen. Ergens nemen we een stuk Hundsrück mee, maar door al die dagen achter elkaar weet ik soms niet precies waar we rijden. De pech van de eerste dag komt terug in dag twee. Balen! Mijn trapas kraakt (door de regen van dag 1 erger geworden) inmiddels zo vervaarlijk, dat ik afstap in de buurt van Merzig. Herman brengt mij met zijn bus bij een fietsenmaker die een Campagnolo-trapas voor een Triple op voorraad heeft (o happy day) en deze goede man bevrijdt mij van grote zorgen. Lekker doorrijden dus, met veel tegenwind. Vlak voor het noodweer bereiken we Sarrebourg (Fr). Een super oud Hotel de France (allo, allo), wel gezellig, maar veel bloemetjesbehang en jaren ’70 groen. Dan begint het grote onweer. De stroom valt even uit, alles flitst boven de stad, brandweer scheurt voorbij. En wij liggen rillend in ons bedje, denkend aan alle regen die nog in de lucht hangt.
Woensdagmorgen regent het pijpenstelen. Regenjas en geel veiligheidsvest aan. Na een half uur ben ik aan de regen gewend. De eerste serieuze col van 14 kilometer (Col Donom) dient zich aan. Lekker klimmen op een hartslag van 140-145, op de top is het 8 graden (mist + regen). Daarna krijgt Johan problemen met afdalen. Zijn fiets slingert boven de 30 kilometer p/u. Dat is niet handig als je met afdalen normaal tussen de 50 en 60 kunt halen (in de Eiffel een keer harder dan 80, don’t try this at home). Verder hebben we ook al twee keer lek gereden als groep. Dus een dagje met haken en ogen wat het materiaal betreft. In een stad (naam kwijt) laten we het wiel van Johan verwisselen met een reservewiel uit de bus. Maar het probleem blijft terugkomen. Later komen we erachter dat het toch te maken heeft met kou en houding op de fiets. Want als de temperatuur oploopt en Johan ‘lekkerder’ op de fiets zit (voor de kenners: dieper, met de kont naar achteren) is het probleem verdwenen.
Door de kou en regen is dit ook een dag met afvallers. Een aantal lotgenoten wordt met de bus opgehaald omdat zij het laatste stuk (met intensieve klimmen in de Vogezen) niet meer zien zitten. Wij rijden lekker (en dan zonder lekke banden) en zelfs de Balon d’Alsace (11 kilometer, 9%) is te doen. Op de top van deze berg staat ons hotel, in de mist.
Donderdag zijn regen en mist opgetrokken dus wij gaan lekker naar beneden. Het is super om door de Vogezen te rijden. Ik heb wel bij 120 kilometer een dipje. Ik blijf even achterin het groepje hangen en trap mee op de automatische piloot. Ik merk dat ik herstel en uit het dal klim. In het slot van de etappe naar Pontarlier komen we echt in Alpensferen. Haarspelden naar boven, kleine weggetjes en gezellig bellende koeien om ons heen. In Pontarlier komen we in een hotel met ligbad, een kamer de man (met megabed) en een MacDonalds naast de deur. Soms lijkt het paradijs onder handbereik. Ik voel me happy, nog één dag te gaan en nu al tot Pontarlier gekomen. Ik heb de hele reis nog geen afspraak gemaakt met de masseuse (hoort bij de crew). Dat is niet alleen omdat zij al volgeboekt is, maar ook omdat ik geen last krijg van chronische spierpijn of andere fysieke beperkingen (zadelpijn). Mijn Isaac (=fiets) levert een prima houding, ik let wel op variatie in houding en het vastpakken van het stuur. Bij de Amstel Goldrace kreeg ik last van stuwing in mijn polsen, nu niet. O happy week.
Finish
De laatste dag begint met een bijzondere lading. De Alpen komen eraan. Gelukkig niet meer de onzekerheid van het begin van de week. Nu is de vraag of ik het red als de bergen echt hoog worden. Het eerste stuk van de laatste etappe is een geweldige kennismaking met Zwitserland. Afdalen naar Lausanne en vervolgens scheuren langs het meer van Genève. Een stoplichtmarathon door Montreux. En bijzonder, je kunt langs het meer van Genève nauwelijks een fatsoenlijke sanitaire stop maken, overal staan luxe villa’s en kantoren. Maar je hebt fietsers die zich ook daar niets van aantrekken en overal hun sporen nalaten.
In de verte zie ik de machtige bergen liggen met sneeuw op de toppen. Ik moet wel even slikken. Wat is dat gaaf, die bergen rond het meer. En dat je daar als gezegend mens gewoon kunt fietsen met je vrienden. Wat een gelukservaring, zeldzaam mooi.
Na het meer worden we door Herman (expeditieleider) wel drie keer gewaarschuwd dat het nu echt menens wordt. De Col de Morgins komt eraan. Die beklimming begint steil, met 9-10 % met veel verkeer om ons heen. Minder fijn. Vier kilometer verder wordt het rustiger en vooral warmer. Tien kilometer met Martin geklommen in een cadans van hartslag 145. Dat gaat lekker, maar de hele klim duurt wel vijf kwartier. Boven rijden we door spookdorpen, skigebieden met de verlaten hotels en liften. Wel mooi, op de top een foto gemaakt door Herman en we worden weer opgelapt met drinken en mueslirepen. Na een lange afdaling de volgende col: Col de Corbier. Deze is een stuk korter maar wel steiler. Lekker alleen klimmen, met mijn kilometerteller en hartslagmeter als gesprekspartner. En het rijden tussen de toppen en de alpenweiden is een ervaring die ik iedereen toewens. Nauwelijks geluid, hier en daar een koe, bomen, sneeuw in de verte, de haarspelden naar boven. En dan de Sommet, met de afdaling als beloning. Mijn Isaac doet het prima in de afdaling, lekker stug, niet uitbrekend in de bochten. Lekker hard rijden, met mate, op mijn eigen weghelft blijven en op tijd remmen voor de bocht. Super.
En dan op de bordjes: Morzine 15 kilometer. Vals plat, door een dal. Maar wat maakt dat uit? We hebben het bijna gehaald. De route neemt nog een afslag, nog even willen de organisatoren ons laten voelen dat we het niet cadeau krijgen. Maar ach, als je al die kilometers al in de benen hebt, wat boeien dan die paar laatste.
Ik ben echt superblij als we Morzine binnenrijden. Het gekke is dat we gelijktijdig arriveren met alle wielerploegen die met de bus terugkeren van een etappe uit de Dauphiné.  In het hotel naast ons zit de Saxoploeg (Contador). En even, heel even, voel ik mij één met al die magere renners.
Maar voor ons hotel staat een gewone OAD bus met grote kar erachter. Daar zal mijn fiets in gaan. En de bus zal mij terugbrengen naar Nijkerk, waar ik als gewone veertiger de draad van het leven en werken weer zal oppakken. Maar even, heel even….
’s Avonds is het echt super gezellig. Iedereen is blij. We hebben twee geweldige reisleiders, Herman en Roelof. Zij hebben alles gefaciliteerd en niets was te gek. Topmensen. We nemen de week nog even door. Samen met Robert Meijer (die mij consequent domino blijft noemen) organiseren we een pet-op-petje-af. Alle Tourfeiten en grappen nemen we nog even door. De kwis wordt uiteraard gewonnen door Henk de Fries met Titaniumfiets. Hij gaat naar huis met de eer en de prijs, een echte binnenband.
De volgende dag stappen we in de bus naar huis. No more stress, lekker slapen en kletsen. Ik sluit mijn ogen en droom. Hoezo Petit Tour de France? Le Grand Tour de Six Pays zul je bedoelen.
Joost Smit